Marian Geluk hoopt dat duurzaamheidsinvesteringen door blijven gaan

FNLI-directeur: ‘Waardering voor voedsel is toegenomen’

DEN HAAG - Marian Geluk, directeur van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) blikt terug op een ‘intensieve tijd’. Ze is bovenal trots op de sector. “De agrifoodketen laat een enorme robuustheid zien”, aldus de topvrouw.

Hoe hebben de FNLI en u persoonlijk de afgelopen tijd ervaren?
Geluk: “Ik ervaar het als een hele intensieve, maar ook een dankbare tijd, waarin je als koepel veel kunt doen. Je kunt digitaal met heel veel mensen contact hebben en dat is in deze tijd hard nodig. Ik vind het wel fijn om hard te kunnen werken in tijden van onzekerheid.”

Heeft u verschil kunnen maken?
“Het gaat niet om mij of de FNLI, het is vooral de agrifoodketen die een enorme robuustheid laat zien. Daar zijn een aantal schokgolven doorheen gegaan, waaronder de hamstergolf en een hoog ziekteverzuim vanwege het advies om thuis te blijven bij verkoudheid. De enorme openheid van onze industrie en dat import en export in feite heel goed bleven doordraaien vervult me met trots. In Nederland zijn er geen groenten ondergeploegd zoals in Amerika en Frankrijk. Er gaan ook dingen mis, zoals in de aardappelsector. De keten is niet berekend op zo’n grote wegval van vraag, maar functioneert. Vaak lees je in de krant dat het voedselsysteem stuk is en dat het anders moet. De transitie naar een nieuw klimaatvriendelijk voedselsysteem is noodzakelijk, er zijn enorme duurzaamheidsuitdagingen. Tegelijkertijd kunnen wij Nederland en ook veel Europeanen voeden met lekker en betaalbaar voedsel. Dat is een hele prestatie.”

Welke lessen kunnen we meenemen voor de toekomst?
“Niemand kan in de toekomst kijken, maar de waardering voor voedsel is in elk geval toegenomen. Veel consumenten hebben bij de boer geshopt. Dat is nog altijd niet massaal en ik geloof ook niet dat we de wereld op die manier kunnen voeden. Dat hoeft ook niet. Maar er is wel een bewustwording ontstaan: voedsel hebben is niet vanzelfsprekend en ons eten komt ergens vandaan. Ik hoop dat zich dat vertaalt in waardering voor duurzaam geproduceerd voedsel. Mocht er echt een recessie aankomen die mensen hard raakt in de portemonnee, dan weet je bijna zeker dat mensen om zo goedkoop mogelijk geproduceerd voedsel gaan vragen.”

Hoe werkt dat aan de kant van de producent?
“Veel bedrijven zitten in een crisisoperatie of hebben er gezeten. Het investerend vermogen van bedrijven is heel belangrijk, maar wel afgenomen. We hebben een enorme klimaatopgave en daar moet in worden geïnvesteerd om te zorgen dat de CO2-uitstoot vermindert. Dat was sowieso al spannend en ook nu is het de vraag hoe we daar komen. Tegelijkertijd roept VNO-NCW de overheid op om investerend de toekomst in te gaan. Ik denk dat het een heel goede impuls zou zijn voor de economie. Het is daarentegen een illusie te denken dat we daar alles mee kunnen redden.”

Moeten we accepteren dat niet ieder bedrijf in die duurzaamheidsslag meekan, door de teruggelopen inkomsten?
“Daar is het iets te vroeg voor. Op Europese schaal hoort de Nederlandse levensmiddelenindustrie bij de duurzaamste en we willen voorop blijven lopen. In die zin zit Nederland in een betere positie dan veel andere landen. We zijn een welvarend land, de steunpakketten zijn hartstikke goed. Het zal dan ook de FNLI-lobby zijn in Den Haag om ondernemers te blijven stimuleren om te investeren in verduurzaming, omdat dit in de concurrentieslag heel goed is. Het zal niet voor iedereen even goed kunnen, vanwege het investeringsvermogen.”

Na lobby’s van onder andere de FNLI werd recent het betalingsrisico op Europees niveau aangepast. Nu komt er een herverzekering voor het hele jaar 2020, waardoor kredietverzekeraars hun limieten weer naar de gebruikelijke niveaus kunnen terugbrengen. Staan er meer eisen op de agenda van de FNLI?
“Laat in elk geval gezegd zijn dat we daar ongelooflijk blij mee zijn. Mijn leden durven vrachtwagens weer naar hun klanten de weg op te sturen en daardoor kan de horeca daadwerkelijk ook opengaan. Het is wel de verwachting dat bedrijven zowel in de horeca als in mijn achterban het heel moeilijk gaan krijgen, al is het maar omdat de vraag van de consument mogelijk verandert. De verwachting is dat een deel van de FNLI-achterban structureel getroffen wordt door de crisis. We gaan dan ook van noodpakketten naar structurele maatregelen. Van het grootste belang is dat waar inkomsten structureel lager zijn, bedrijven kostenniveaus navenant kunnen aanpassen. Verder proberen we als werkgevers alles te doen als het gaat om de gezondheid van onze medewerkers. We willen heel goed weten wie wel en niet besmet is. Het vervelende is dat je besmet kunt zijn zonder dat je dat zelf merkt. Maximaal kunnen inzetten op meten en testen zou ons enorm helpen. Daar hebben we nu niet alle tools voor, vanwege de privacywetgeving in Nederland. We hebben wel de verantwoordelijkheid, dus de balans mist. Daar gaan we aandacht voor vragen in Den Haag.”

Heeft u nog suggesties voor de branche de komende tijd, over hoe we elkaar erdoorheen kunnen helpen?
“We waren bevreesd dat er partijen zijn die het moeilijk hebben en eenzijdig betaalcondities zouden veranderen, maar dat is over de volle breedte juist niet gebeurd. Men heeft elkaar opgezocht. Ik verwacht nu dat men zich eventueel gaat focussen op een smaller assortiment. Er was een soort 80/20-regeling - 20 procent van de producten zorgt voor 80 procent van de omzet. Het zou goed zijn als er begrip zou zijn bij onze klanten als we in tijden dat we nog niet alles kunnen produceren, ons focussen op de grootse hardlopers en het van daaruit opbouwen. Zo start je de markt goed samen op.”

Dit artikel verscheen eerder in de Levensmiddelenkrant en Out.of.Home Shops special ‘SamenSterk’. Abonneren? Klik hier voor Levensmiddelenkrant en klik hier voor Out.of.Home Shops.

Bron: Levensmiddelenkrant / Out.of.Home Shops