Ralph Markwat: ‘Nog steeds onduidelijke open normen en daarmee rechtsonzekerheid’

Column: De Wet Franchise, we zijn er bijna!

‘Sukkel’, riep aap geïrriteerd uit, ‘wat heb je nou gedaan?!’ Aap zag een dier in de rivier verdrinken. ‘Hoe ben je daar nou terecht gekomen?!’ Omdat aap een goede inborst had - hij vond zichzelf ‘best wel oké’- en dus het beste voorhad met zijn medeschepselen, handelde hij acuut. ‘Kom, laat me je helpen,’ sprak hij liefdevol. Behoedzaam tilde hij het dier uit het water en legde het op de oever. Daar kon het drogen in de zon. Tevreden aanschouwde aap de situatie. Zo te zien was hij net op tijd geweest. ‘Mooi! Ik zie dat je alweer ademt,’ sprak hij tot de naar lucht happende vis.”

Ik ben van mening dat deze metafoor van Berthold Gunster de uitdagingen ten aanzien van de Wet Franchise uitermate goed duidt. Welnu, ik ben als franchisegever buitengewoon blij met het feit dat de wet er nu is. Inmiddels hebben verschillende partijen veel tijd en energie geïnvesteerd om te schrijven, te consulteren, visie te geven, te overtuigen en uiteindelijk te accepteren wat nu voorligt. We kunnen weer verder met de orde van de dag, met ondernemen, althans…

Wat natuurlijk steekt is het gegeven dat de wet een enorme diversiteit van samenwerkingsvormen genaamd ‘franchise’ in één vat heeft gestopt. Voor de wetgever zou het natuurlijk ‘a hell of a job’ zijn als ze voor elke samenwerkingsvorm aparte wetgeving hadden moeten maken. En ondanks een aantal goede en verstandige wijzigingen die zijn aangebracht in het eerdere wetsvoorstel, is er nog steeds sprake van onduidelijke open normen en daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid.

Dus verzamelen vissen en apen zich nu rond de wet en moeten maar zien hoe om te gaan met de implementatie van dit dwingend recht, waar per franchiseformule dus niet op maat van kan worden afgeweken. De wet gaat niet alleen in op de precontractuele fase zoals men in het regeerakkoord had verlangd van de wetgever, maar gaat buitengewoon diep in op de samenwerkingsrelatie tijdens de looptijd en bij het wijzigen of beëindigen van de franchiseovereenkomst. Zo zie ik per formule verschillende uitdagingen. Formules met een enorme marktwaarde zien hun concurrentiekracht verdampen doordat de wet zich bemoeid met ‘afgeleide formules’.

Formules die snel wendbaar moeten zijn in deze enorm dynamische wereld, zullen wellicht vertragen. Internationale formules met een global strategy moeten in Nederland pas op de plaats maken en vragen zich af of Nederland wel de plaats nog is om hun uitbreidingen in heel Europa te regelen als dat allemaal onder Nederlands recht valt. Wel is er plaats gemaakt in de wet en Memorie van Toelichting voor soft franchise en geven partijen daarin wat ruimte. Iets waar ook ik mijzelf hard voor heb gemaakt. De vertegenwoordigers van franchisenemerspartijen staan wat te juichen na het eerdere debacle van de Nederlandse Franchise Code. Maar of voor franchisenemers de lucht helderder is geworden, is maar de vraag. 

Franchise is gebouwd op samenwerking tussen twee zelfstandig ondernemende partijen, zoals het in de meeste formules natuurlijk ook uitstekend is geregeld. De weg om te komen tot een goede wet heeft partijen meer dan ooit tegenover elkaar gezet. Excessen zijn norm geworden in de Memorie van Toelichting bij de wet, waar van misstanden en bedrog wordt gesproken. Het Financieel Dagblad wordt er veelvuldig  aangehaald als bewijslast, net als ‘horrorverhalen’ die zonder hoor en wederhoor worden gepubliceerd als schandelijk gedrag. Welke kandidaat-franchisenemer wil daar nu instappen? Kortom: de groei van formules zal bemoeilijkt worden. Dit werkt schaal tegen en u begrijpt wat dat betekent voor franchisenemers. 

Ook is een open relatie tussen franchisegevers en –nemers nu niet langer verantwoord; helaas! Een disclaimercultuur werkt voor de formule en dus ook voor de franchisenemer kostenverhogend. Hij zal daarnaast ook extern adviezen moeten gaan inkopen omdat de franchisegever geen visie meer durft te geven. 

En hoe zullen dynamische franchiseformules omgaan met filiaalbedrijven die vanaf vandaag veel sneller kunnen wenden? Innovatiekracht wordt nu bepaald door het grote collectief op basis van draagvlak wat eerst moet worden verzameld, terwijl de directie van filiaalbedrijven van vandaag op morgen hun koers kunnen wijzigen. Als de dynamische franchisenemer afhankelijk is van zijn collega-franchisenemers die wellicht hun schaapjes al op het droge hebben en niet zo zitten te wachten op verandering van de koers en gezamenlijke investeringen, kunnen we toch spreken van een remmende situatie? 

Dit in ogenschouw nemend is het natuurlijk beter om vanuit de enorme diversiteit slechts te reguleren, dat wat men voordat de samenwerking begint afspreekt. Gevers en nemers moeten hele heldere afspraken maken over welke informatie men elkaar vooraf verstrekt. En dat mag allesomvattend en dat mag heel duidelijk en dat mag misschien zelfs dwingend als de wetgever dat nodig acht, maar het zou mooi zijn als de wetgever alsnog tot inzicht komt dat partijen samen wendbaar, innovatief en vanuit gemeenschappelijke waarden moeten kunnen ondernemen. Apen, vissen en alle andere soorten zijn verplicht elkaar hulp te bieden, maar we leggen ze niet allemaal in de zon te drogen.

Ralph Markwat
Bovenmatig belangstellende in het proces op te geraken tot wetgeving en trots franchisegever (FHC Formulebeheer).